hoe heet de bijbelse oase waar de israelieten verbleven na de tocht door de schelfzee?
De uittocht uit Egypte (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi’at Mitzrajiem) of exodus (Grieks: ἔξοδος; exodos, “weg uit”) is het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel over het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals beschreven in Exodus; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het ronddolen in de woestijn tussen Egypte en Kanaän, de periode waarin Mozes Gods wetten gaf, zoals beschreven in Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw v.Chr.), maar dat de kern van het verhaal ouder is; er zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw v.Chr., in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan de neergang aan het einde van de Late Bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.[1]
hoe heet de bijbelse oase waar de israelieten verbleven na de tocht door de schelfzee?
hoe heet de bijbelse oase waar de israelieten verbleven na de tocht door de schelfzee?
De Israëlieten waren in Egypte gekomen nadat Jozef, zoon van Jakob, die als slaaf naar Egypte verkocht werd,[2] daar later de tweede man na de farao werd[3] en zijn familie tijdens een hongersnood naar Egypte liet komen, waar ze gingen wonen in Gosen, in de Nijldelta.[4]
Toen later een farao regeerde “die Jozef niet gekend had”,[5] maakte deze de Israëlieten tot slaven. Wegens hun grote bevolkingsgroei nam volgens de farao het gevaar toe dat ze bij een oorlog tussen Egypte en een ander land de kant van de vijand zouden kiezen. Daarom bepaalde hij dat al hun pasgeboren jongetjes moesten worden gedood.[6]