Het was koud en guur in die oude bijbelse stad. De mensen liepen bibberend door de smalle straatjes, gehuld in hun dunne gewaden. De wind blies scherp en sneed door hun kleren heen. De huizen waren oud en vervallen, met scheve muren en kapotte ruiten. Het vuur in de haarden smeulde zwakjes, nauwelijks genoeg om de kou buiten te houden.
De markten waren leeg en verlaten, de handelaren hadden hun waren ingepakt en waren naar huis gegaan om warm te worden. De straten waren bezaaid met afval en modder, de regen had alles veranderd in een modderige bende. De dieren zochten beschutting onder afdaken en in donkere hoekjes, ver weg van de gure wind.
Ondanks de barre omstandigheden bleven de mensen moedig doorzetten. Ze wisten dat de winter hard kon zijn, maar dat ze samen sterker stonden. Ze deelden hun laatste restjes voedsel en dekens met elkaar, wetende dat solidariteit de enige manier was om te overleven in deze barre tijden.
En zo gingen de dagen voorbij in die bijbelse stad, waar de kou en de schraalheid van het leven een constante strijd waren. Maar ondanks alles bleven de mensen hoop koesteren, wetende dat ergens in de verte de lente op hen wachtte, met haar warme zonnestralen en bloeiende bloemen. En tot die tijd zouden ze elkaar steunen en samen door de donkere dagen heen komen.